Welkom

Na aan te melden op Galop.be kan u evenementen toevoegen in de kalender, zoekertjes toevoegen, uw bedrijf toevoegen in de bedrijvengids, uw registratie voor de nieuwsbrief aanpassen,...

Registreren is gratis.



Registreren

• Registreren op Galop.be is gratis
• Door te registreren verklaart u zich akkoord met de Gebruiksvoorwaarden (klik hier).

» Klik hier om te registreren.




Inloggen

Onthoud mij
23/03/2020 18:27 - Algemeen

De 3e fase is meer een keuring van de ruiter

Ook Haverklap wil je in je zee van tijd een boei aanreiken met interviews en reportages die je wellicht kunnen boeien. De volgende dagen bieden we u met regelmaat leesvoer aan via galop.be.


Naar aanleiding van de ontknoping van de BWP hengstenkeuring babbelden we met Nick Vrins, leermeester en ervaringsdeskundige, over hengsten, keuringen en jonge paarden.

 

 

Nick Vrins: ‘De derde fase is meer een keuring van de ruiter dan van de hengst’

Volgende maand is er de derde fase van de BWP hengstenkeuring. Voor enkele ruiters is het alle hens aan dek, want de kandidaat dekhengsten hadden tijdens de tweede fase nog nooit van een zadel gehoord, laat staan gevoeld. Eén van die ruiters is Nick Vrins (42), die een achttal hengsten zal presenteren onder het zadel. Gelukkig vond hij nog tijd voor een babbel over hengsten en keuringen en jonge paarden. Nick Vrins is een ervaringsdeskundige. In 2004 werd hij Belgisch kampioen, met Nagano en maakte hij deel uit van het team dat de Belgische landenprijs in Lummen won. Al zegt hij zelf dat hij nooit een competitiebeest geweest is. Paarden opleiden was en is zijn ding en daar is hij goed in. Sinds vorige zomer heeft hij zijn eigen gloednieuwe stal, met een internationaal cliënteel. Onder andere Jan Tops en Cian O’Connor laten hun jonge paarden door Nick Vrins opleiden.

 

Kris Van Loo

 

‘Vanaf er een zadel op moet, gaat de waarde van een paard eventjes naar beneden, want dan kost het geld’, zeg je. Hoeveel geld?

Het is moeilijk om daar een bedrag op te plakken, omdat er veel factoren een rol spelen. Een jonge hengst die groen licht krijgt op de tweede fase van de BWP hengstenkeuring, moet op zes weken leren waar een ander paard zes maanden voor krijgt. Dan moet je doorwerken. Ik heb een vijftal hengsten die van de tweede fase komen en drie vierjarigen die voorgesteld worden. Dat is hard labeur. Je hebt brave hengsten, al gaan er ook altijd stoere mannen tussen zitten.

 

Die zich niet gemakkelijk geven?

Over het algemeen valt dat mee. De huidige generatie staat doorgaans hoog in het bloed en die zijn eerder delicaat dan moeilijk. Als je daar frequent en consequent mee bezig bent, vallen die wel in je hand. Al zijn er altijd uitzonderingen. Het gebeurt dat ik aan de eigenaar voorstel om zijn hengst te castreren. Het is dat of komen halen. Er zijn er die zich niet geven en gevaarlijk zijn voor mens en zichzelf. Zo’n karakter zal ook nooit een meerwaarde zijn voor de fokkerij.

 

Hoe zwaar is het programma tussen de tweede en derde fase?

Ik vraag bij voorkeur dat de hengsten zadelmak zijn. Dan komen ze anderhalve, twee weken later naar mij. We starten met het werk aan de longe, wat de meeste al kennen. Ze worden elke dag gereden en we springen toch zo’n drie keer per week. Ik werk in het begin door, om ze vervolgens de laatste twee weken, voor de derde fase, te laten bekomen. En dan hopen dat er geen blessures volgen. En ik zeg hopen, want daar word je altijd mee geconfronteerd. Dat kan jij bijna niet uitsluiten. Die hengsten zijn jong en fris en gretig. Ze landen al eens verkeerd of vergalopperen zich tijdens het longeren. Dat is inherent aan jonge paarden, in combinatie met een druk schema. Het hoofd wil nog, maar de benen kunnen niet volgen. Blessures worden vaak veroorzaakt door vermoeidheid. Op zich zijn die blessures niet erg, maar je staat vlot een week achter op je schema. Je mag ze de adem niet afrijden en dat is de grote moeilijkheid, want er is de tijdsdruk. Of ze krijgen schimmel onder hun zadel, daar word je ook elk jaar mee geconfronteerd. Dan kan je weer niet rijden.

 

Kortom, er is te weinig tijd tussen de tweede en derde fase?

Ik weet niet of ze daar beter van worden? Het is veel en het komt snel voor een jonge hengst. Ze moeten het zowel fysiek als mentaal kunnen verwerken. Maar wat ik vooral niet begrijp, is wat je zoveel meer kan zien op de derde fase? Ik snap de meerwaarde niet van de derde fase. Een ranke driejarige van pakweg 1.70m kan dat fysisch niet volhouden. Omdat zijn lichaam dat niet aankan. Dan worden ze lastig, volgt er een conflict, forceren ze zich en verhoog je het risico op blessures. Voor mij volstaat de tweede fase en de fokker zal wel de jury zijn van de ‘derde fase’. En laat ze de hengstencompetitie springen. De ergste straf is een hengst die niet goed genoeg is. De hengstencompetitie is leuk als je een goede hengst hebt. Het wordt heel wat minder als je elke manche moet bewijzen dat hij wel goed genoeg is.

 

Je wordt niet wijzer van de derde fase?

Veel hengsten komen voor de derde fase bij bekwame en ervaren ruiters terecht en zij maken het verschil. Als diezelfde jonge hengst bij een amateur staat en vervolgens met zijn hoofd in de lucht naast de hindernis loopt, wordt die kandidaat hengst afgewezen. Terwijl het initieel wel een goed paard kan zijn. Die derde fase moet ongelooflijk moeilijk zijn voor de jury. Hoeveel wijzer maakt dat paard je op de zes weken? De derde fase is meer een keuring van de ruiter dan van de hengst. En dat is moeilijk te beoordelen. In de eerste plaats wil de jury de natuurlijk aanleg, balans en kwaliteit beoordelen en dat zie je al  tijdens het vrij springen.

 

Jij wordt ook gevraagd als jurylid op wedstrijden vrij springen. Wat leer je daaruit?

Dat dat heel moeilijk is. Het beeld van een paard in vrijheid durft wel eens te verschillen met het beeld dat je krijgt onder het zadel. Een paard kopen op basis van springen in vrijheid vind ik een risico. Omdat je in vrijheid heel moeilijk het bloed en de mentaliteit kan inschatten. Zo’n paard beoordelen kan twee richtingen uitgaan. Een paard dat goed in vrijheid springt, kan tegenvallen onder het zadel. Omgekeerd kan een paard zich verloren voelen in vrijheid en nadien de rust vinden onder de man.

 

Kom je al veel te weten van een paard dat je enkele weken onder het zadel hebt?

Waar je vrij snel achter komt onder het zadel, is de balans en de aanleuning. Je voelt de rijbaarheid, al zegt dat dan weer niets over de toekomst. Dat kan de volgende jaren nog alle kanten uitgaan. Een paard dat moe en slap is, reageert anders dan een fris en sterk paard. Elke dag is anders met jonge paarden. Neem een lot jonge paarden die je enkele malen in vrijheid laat springen, daar haal je toch telkens een andere dagkampioen uit? Dat maakt het ook zo boeiend. Ze zijn zo moeilijk in te schatten. Ik wil geen namen noemen, maar ik heb hengsten gereden die de koning waren op de derde fase en niet verder geraakten dan de zesjarigen. Het volstaat toch om naar de startlijsten te kijken van de hengstencompetitie om de uitval vast te stellen?

Welke paarden die jij gereden hebt beloofden op jonge leeftijd en lieten het nadien afweten en omgekeerd?

Mag ik enkel voorbeelden geven van paarden die het wel gemaakt hebben? Ik wil fair blijven naar die andere paarden toe? Galisco Van Paemel heb ik gereden tot en met de Sires of the World. Hij sprong met mij 1.50m, werd verkocht en groeide door naar 1.60m niveau. Galisco heb ik voorgesteld op de BWP hengstenkeuring en daar was ik aanvankelijk niet enthousiast over. Die derde fase was moeilijk genoeg. Galisco was wel een nulspringer, maar de klik kwam er pas toen hij zes werd. Hetzelfde verhaal met Vannan. Als zesjarige geloofden er weinigen in, een jaar later zei iedereen dat ze het altijd al geweten hebben dat het een crack was. Nagano, waarmee ik in 2004 Belgisch kampioen werd, werd de eerste keer zelfs niet gekeurd. Afgewezen tijdens de tweede fase. Terecht zelfs, hij schoot er als een raket door. Als vijfjarige werd hij dan wel gekeurd. Van die paarden wist ik op hun jonge leeftijd niet dat ze later zouden doorbreken. Er zijn evenveel voorbeelden van beloftevolle jonge paarden die nooit doorgebroken zijn. Maar daar geef ik geen voorbeelden van.

 

Veel ruiters herkennen toch vrij snel wanneer ze op een uitzonderlijk paard zitten?

Die absolute toppers ga je inderdaad herkennen, die hebben iets freaky, in alles. Je voelt in alles dat die speciaal zijn. En dan nog moet zo’n paard de goede kant pakken. Iedereen herkent een uitzonderlijk goed paard, al zijn er nog meer waarvan je het niet ziet. Of niet meteen. Want ze moeten allemaal gemaakt worden en dat mag je evenmin onderschatten. Ik heb bij Niels Bruynseels gereden. Daar krijgen paarden alle kansen. Dat worden complete atleten. Om nog zo’n voorbeeld te geven: niemand moest weten van de vijfjarige Gancia de Muze. Zo zie je maar hoe moeilijk het is en dat is met jonge hengsten niet anders. Iedereen kent ondertussen het verhaal van Mumbai vd Moerhoeve (Diamant de Semilly). We stelden hem als vierjarige voor op onze Woodland’s veiling en werd niet gekocht. Daarop besloten we om hem zelf te kopen en ontfermde ik me de volgende drie jaar over zijn opleiding. Begin vorig jaar kocht Ludger Beerbaum hem voor de helft. Zijn ruiter Christian Kukuk reed hem en was er aanvankelijk niet wild van. We zijn nu een jaar later en is hij er laaiend enthousiast over. Zo zie je weer. Je moet als ruiter veel veerkracht hebben, want je wordt heel vaak geconfronteerd met tegenslag en mislukking. Met hoop en ontgoocheling en dan is het zaak om te volharden. Ik denk dat veel ruiters dat onderschatten. Je moet mentaal sterk staan om dat allemaal te incasseren en telkens weer recht te staan. Je wordt daar voor beloond, maar niet elk paard wordt een succesverhaal. Als je ’s morgens de stal binnenstapt, weet je nooit wat de dag brengt en die kan positief of negatief uitdraaien.

 

Jouw parcours leest ook als een paard dat op verschillende stallen gestaan heeft? Roshoeve, Rostal, Stephex, Marc Van Dijck, De Vier Dagmaelen?

Ik had niemand achter mij en ik wou paardrijden. Nu heb ik mijn eigen stal, al heb ik daarvoor een lang parcours moeten afleggen. Wat ik nu heb, zou ik 20 jaar geleden niet gekund hebben.

 

Je hebt geproefd van de grote sport, was dat je ding niet?

Met Nagano heb ik grote wedstrijden gesprongen, ik werd geselecteerd voor CSIO Barcelona en won de landenprijs van Lummen. Met Nagano en Orage had ik een goede tandem. Al had ik de smaak van de topsport niet echt te pakken. Ik doe nu wat ik altijd het liefst gedaan heb en dat is de opleiding van jonge paarden. Ik zou niet willen ruilen met Niels Bruynseels. Ieder zijn ding zeker? En je moet vooral doen waar je goed in bent. En ik was net niet goed genoeg voor de topsport. Ik ben geen echt competitiebeest. Daarbij wou ik ook iets opbouwen. Dat is gelukt, maar als jonge ambitieuze sportruiter ga je een onzekere toekomst tegemoet. Ik heb altijd mijn boterham verdiend.

In een risicovol beroep?

Ja, al hangt veel af van je investering. Ik koop geen dure paarden, want die budgetten heb ik niet. Ik moet rekenen. Ik vind het bijvoorbeeld voor jonge paarden interessant om rond deze tijd naar het zuiden te gaan, maar dat kan ik niet, wegens te duur.

Ik koop paarden zo jong mogelijk aan, dan zijn ze betaalbaar, en dan weet ik dat er veel uitval is. Als ik met een tiental twee, driejarigen begin, weet ik dat er twee, drie overblijven. Omdat ik streng selecteer. Mijn stal staat vol en ik heb werk genoeg. Het is goed zoals het nu is, want ik wil het bewust kleinschalig houden. Ik wil het overzicht behouden. Als ik wil uitbreiden, moet ik nog personeel aanwerven en dat is niet de bedoeling. Ik heb nu alles onder controle in een evenwichtig tijdsbestek. Ik geef ’s morgens eerst mijn paarden eten, om 07.30h, dan mijn twee kinderen en die breng ik om 08.30h naar school. En dan begint mijn dagtaak.

 

Jij hebt je droom verwezenlijkt?

Eigenlijk wel, ik heb bereikt wat ik altijd wou en ben door de jaren heen rustiger geworden. Als er vroeger een balkje viel, stortte mijn wereld in. Als het eens niet lukte met een jong paard, zat ik in zak en as. Ik heb ook een leerproces doorlopen (lacht). Ik kan enkel mijn best doen en als het komt, komt het. Of ook niet. Dat was vroeger anders, dan moest het. Ik heb jaren alles zelf moeten leren. Bij Marc Van Dijck heb ik veel opgestoken en de laatste jaren heb ik veel geleerd van Niels Bruynseels. Zij hebben de rust in mij gebracht.

 

 

 

Jij laat je niet meer opnaaien voor de derde fase of de hengstencompetitie?

Neen, ik ervaar geen druk. Omdat ik goede eigenaars heb die weten hoe het werkt. Daarbij heb ik een eenvoudige instelling: ik geef het beste van mezelf en als een eigenaar van oordeel is dat iemand anders het beter kan, moet hij zijn paard vooral die kans geven. En dat meen ik. Dat houdt mij in evenwicht, want ik weet dat ik er alles voor doe wat binnen mijn kunnen en mogelijkheden ligt. Ik kan mezelf niks verwijten en dat brengt rust in mijn hoofd, wat ik doorgeef aan de paarden. Ik leid ze op zonder druk. Ik spring veel regionale wedstrijden, cyclus doe ik niet en Gesves is geen doel. Ik heb door de investering in mijn stal veel paarden moeten verkopen. Zodanig dat mijn stal bijna volledig bevolkt wordt door eigenaarspaarden. Wat ik nu terug wil doen, is terug zelf investeren en ze langer aanhouden. Dat is mijn toekomstproject.

 


DIT ARTIKEL VERSCHEEN IN HAVERKLAP OP 13 februari 2020.
MEER PAARDENNIEUWS ZOALS DIT LEZEN? KLIK DAN HIER OM JE TE ABONNEREN OP HAVERKLAP.


 


Gebruiksvoorwaarden  |  Privacy statement
Alle rechten voorbehouden 2000-2020 © Galop.be & Pweb Solutions