In de piste met Jan Symons: “Een paard moet voorwaarts terugschakelen”
Waarom valt een paard uit elkaar in de wending? Hoe voel je dat een achterhand onvoldoende actief blijft? En waarom gebruiken zoveel ruiters hun buitenteugel verkeerd? In deze lessenreeks trekt Jan Symons telkens de piste in met een combinatie op zoek naar antwoorden. Geen theoretische clinics, maar échte trainingen waarin problemen blootgelegd, geanalyseerd en bijgestuurd worden.
In deze eerste aflevering gaat Jan aan de slag met Julie Van den Bulck en haar negenjarige Maestro. Een talentvol springpaard met vermogen, maar ook met een lichaam dat zich in de bochten nog te vaak vastzet. “Hij valt uit elkaar in de wendingen.” Het is de eerste echte analyse die Julie Van den Bulck maakt wanneer ze over Maestro praat. Geen oppervlakkige opmerking, maar een gevoel dat al langer blijft hangen. Want hoewel de negenjarige zoon van Emerald ondertussen vlot 1m30 springt, voelt Julie dat er nog veel meer in haar paard zit.
“Hij is groot, lang gebouwd en soms wat slap”, zegt ze met een glimlach. “Ik voel me veilig op hem, maar niet altijd comfortabel. In de bochten zet hij zich soms vast en dan voel je dat hij moeilijk door zijn lichaam beweegt.”
Maestro verblijft ondertussen drie jaar bij Julie. Ze kochten hem vlak voor ze op kot ging in Leuven. Dagelijks rijden was toen onmogelijk, waardoor bewust gezocht werd naar een paard dat rust in zijn hoofd combineerde met kwaliteit in het werk. “De klik was er meteen”, vertelt Julie. “Hij is braaf en eerlijk. Onze eerste parcoursen gingen goed, maar de werkpunten kwamen snel naar boven. Hij liep scheef, was stijf in zijn lichaam en viel soms letterlijk uiteen in de wendingen. Ik begon me af te vragen waar dat exact vandaan kwam.”
Samen met Dennis van Tilburg en Dirk Demeersman werkte ze de voorbije jaren intensief op het springwerk. Daarin werd duidelijk progressie geboekt, maar nu wil Julie dieper graven. Niet enkel beter springen, maar ook begrijpen hoe haar paard zich correct leert dragen. Die zoektocht brengt haar vandaag bij Jan Symons.
“Een paard moet eerst licht worden”
Nog voor de echte oefeningen beginnen, heeft Jan het belangrijkste aandachtspunt al gezien. Volgens hem ligt het probleem niet in de grootte van het paard, maar wel in de manier waarop Maestro zijn achterhand gebruikt.
“Grote paarden hebben meer tijd nodig om hun been onder te brengen”, legt hij uit. “Dat moet je als ruiter begrijpen. Je kan heel veel activeren met je beenhulp, maar uiteindelijk moet de achterhand echt engageren richting voorhand. En net daar zie ik bij Maestro nog te weinig activiteit.”
Terwijl Julie aan een lange teugel stapt, observeert Jan elk detail. Zelfs de kleinste signalen ontgaan hem niet. “Wat meteen opvalt, is dat het achterbeen onder de sprong wat achterblijft.” Even later gaat Maestro over naar draf. Jan hoort het paard afblazen en knikt goedkeurend. “Dat is positief. Hij begint zich los te laten.”
Loslaten. Het woord zal tijdens de volledige training blijven terugkomen. Want volgens Jan proberen veel ruiters hun paard te snel in vorm te rijden, terwijl het lichaam nog vastzit. “Een paard moet eerst licht worden in zijn lijf. Pas dan mag je oefeningen beginnen vragen.”
“Één hulp, één reactie”
Julie blijft weg van de hoefslag en rijdt grote voltes. Daarbij merkt ze zelf dat Maestro rechts makkelijker beweegt dan links. Ook dat verbaast Jan niet.
“Elk paard heeft een natuurlijke stijve kant”, zegt hij. “Aan één zijde zal het gemakkelijker buigen dan aan de andere. Dat is normaal. De kunst bestaat erin om een paard correct rond je binnenbeen te leren bewegen.”
Julie rijdt haar voltes vanuit het binnenbeen richting buitenteugel, terwijl Jan voortdurend kleine correcties geeft. Handen voor het zadel. Ellebogen naast de heup. Het lichaam soepel houden. “Je moet werken met je volledige lichaam”, klinkt het. “Niet alleen met je handen.”
Daarna volgen voortdurend overgangen tussen stap en draf. Opnieuw draait alles rond dezelfde vraag: reageert het paard snel genoeg op de beenhulp en blijft de achterhand actief?
“Één hulp, één reactie”, herhaalt Jan meermaals. Langzaam verandert ook het beeld van Maestro. De draf wordt regelmatiger, de hals ontspant en Julie voelt het paard beginnen knabbelen op het bit. “Dat is wat je wil voelen”, zegt Jan. “Dan loopt een paard door zijn lichaam.”
“De buitenteugel draait geen schouder”
Een van de opvallendste momenten van de training komt er wanneer Jan begint over het gebruik van de binnenteugel. Volgens hem maken veel ruiters daar dezelfde fout. “Als je terugneemt met je binnenteugel, blokkeer je het binnenachterbeen.” Julie luistert aandachtig terwijl Maestro verder draaft op de volte.
“Een paard moet voorwaarts terugschakelen”, gaat Jan verder. “Het hoofd is eigenlijk de barometer van je overgang. Komt het hoofd omhoog of te dicht bij de ruiter, dan weet je dat de achterhand niet actief genoeg blijft.”
Ook de rol van de buitenteugel wordt volgens hem vaak verkeerd begrepen. “Die draait geen schouder. Ze voorkomt alleen dat een paard over zijn schouder wegloopt.”
Om Julie meer gevoel voor haar lijnen te geven, haalt Jan later zijn bekende kegeltjes boven. Plots krijgt de volte een visueel kader. Julie kijkt van punt naar punt terwijl ze probeert exact dezelfde cadans te behouden.
“Kijk vooruit en voel je lijn”, zegt Jan. “Elke pas moet hetzelfde blijven.” Even later moet Julie zelfs de teugels in één hand nemen. “Omdat je draait met je zit”, klinkt het droog. “Niet met je handen.”
Gaandeweg begint Maestro meer door zijn rug te bewegen. In de bochten blijft hij beter voorwaarts denken en de schouder oogt losser dan bij het begin van de sessie.
Voor Julie zit de grootste winst niet alleen in het gevoel, maar vooral in het inzicht. “Ik besef nu hoeveel ik vroeger begrensde met mijn buitenteugel”, zegt ze. “En ook dat je soms moet durven wachten tot een paard zelf contact zoekt.”
Volgens Jan ligt daar een essentieel principe van paardrijden. “In de paddock zie je vaak ruiters die onmiddellijk contact nemen. Maar eigenlijk moet een paard zélf contact leren zoeken. Pas dan krijg je echte ontspanning.”
Wanneer de training stilaan afloopt, is het verschil duidelijk zichtbaar. Maestro beweegt losser, draagt zichzelf beter en blijft meer in balans in de wendingen. Voor Jan is dat uiteindelijk waar goed rijden om draait. “Paardrijden is inzicht”, besluit hij. “Je moet voelen wanneer je paard je motor dreigt te verliezen. Alles draait om voorbereiding, niet om corrigeren wanneer het al fout loopt.” Of nog eenvoudiger: “Een paard moet altijd voorwaarts blijven denken.”








